Impact meten is geen rocket science

Gepubliceerd op 16 mei 2026 om 17:31

In een gesprek met een van onze bestuurders werd ik gewezen op het feit dat we onze impactmeting toch wel te licht opnamen. “Je kan dat niet zelf, je moet daar de academische wereld bij betrekken. Zonder meerdere academici is het niet geloofwaardig” Geïntimideerd door de reactie legde ik me neer bij het feit dat een échte impactstudie wellicht een mooie droom zou blijven. In de jaren erna dacht ik nog vaak terug aan die reactie. En hoe fout ze eigenlijk wel is. Hoe hard ze inspeelt op ingebeelde zwakheid, hoe ze opnieuw een aantal mythes betonneert in onze hoofden. En dus moest ik er iets mee. Tijd om die myths te busten.

Mythe 1: Impact meten moet complex zijn

Impact meten kan complex zijn. Dat klopt. Maar het hoeft niet. Jij bent namelijk de expert in jouw specifieke interventie. Jij weet het best hoe jouw interventie werkt en wat het doet met de mensen die deelnemen. Wat als we zouden starten met 3 concrete kernvragen wat voel ik, wat zie ik en wat weet ik?

Wat voel ik?

Elke organisatie met een maatschappelijke missie is gestart vanuit een verontwaardiging, een drang naar verandering, iets dat anders of beter moet. Dat buikgevoel probeer je vaak onder woorden te brengen in een missie of een visie. Het is dat waarvan je droomt, waar je elke dag voor opstaat en vol aan de bak gaat. Da’s een krachtig iets.

In de corporate wereld worden consultants duur betaald om te helpen zoeken naar de ‘why’ en de ‘purpose’ van organisaties en teams. Als je stofzuigers verkoopt, kan ik me voorstellen dat het even zoeken is naar de dieperliggende drive die je daarvoor voelt. Maar goed nieuws: in onze sector hoeven we niet ver te zoeken, we voelen hem elke dag.

Vanuit dat buikgevoel is jouw organisatie dingen gaan organiseren, interventies gaan plannen en projecten gaan uitdenken. Probeer die redenering eens om te draaien. Denk van je droom naar je concrete praktijk. Et voila… daar is je ruwe blauwdruk voor een theory of change.

Terzelfdertijd probeer je onder woorden te brengen wat je voelt als je concreet in jouw project met jouw doelgroep aan de slag bent. Daar zit alvast de kiem van wat we output of outcome noemen.

Wat zie ik?

Tijdens en na je interventie, activiteit of project zie je dingen gebeuren. Mensen komen terug, engageren zich verder of haken af, mensen komen je spontaan iets vertellen, die deelnemer die altijd te laat was komt sinds kort altijd op tijd, de persoon die eerder gesloten was stelt zich nu meer open in gesprek, … Er gebeuren zoveel dingen in onze mooie stiel. En jij, als professional, ziet het gebeuren. Wat als je er een gewoonte van zou maken om telkens een kort reflectiemoment in te bouwen waarin je opschrijft wat je precies hebt zien gebeuren? Na verloop van tijd zal je een patroon of patronen herkennen.

In een volgende stap kan je dit proces gaan systematiseren en opschalen, bijvoorbeeld door gestructureerde vragenlijsten, interviews, tellingen, … Maar altijd vanuit herkende patronen, niet vanuit een hypothese ergens achter een bureau.

Wat weet ik?

Jouw activiteit, interventie of project is ongetwijfeld uniek. Toch is er 99% kans dat er vergelijkbare acties lopende zijn: met dezelfde doelgroep, vanuit een zelfde motivatie, met vergelijkbare praktijk, enz… Dat wil vaak ook zeggen dat professionals of wetenschappers met exact dezelfde vragen rondliepen als jij nu: werkt dat wel?

Een pro-tip: bouw verder op bestaande studies, kennis en inzichten. Wat eerder uitgebreid onderzocht en al dan niet bewezen is, daar kan je mee verder. Je kan de gestelde onderzoeksvragen hernemen en checken of ze ook bij jou tot dezelfde conclusie leiden. Je kan ze ook aannemen en kijken of het bij jou anders loopt. Als er erg veel evidentie te vinden is voor een bepaalde hypothese (zoals bijvoorbeeld werk hebben leidt tot en betere integratie), dan mag je aannemen dat dit ook voor jouw interventie van toepassing zal zijn.

Een ding is wel altijd belangrijk: wees eerlijk en transparant over je aannames en bronnen.

Mythe 2: Zelf je impact meten is niet geloofwaardig

“Wij van WC-eend vinden WC-eend het allerbest”, ken je die oude spot nog? De logica erachter wordt soms gebruikt om ons te verzwakken, om onze maatschappelijke impact af te doen als onbestaand, of erger nog, dat we zeggen wat subsidiegevers willen horen.

Laten we het onze criticasters een beetje moeilijker maken. Laat ons transparant zijn over onze meetmethoden, de bronnen die we gebruiken en de aannames die we doen. Word je niet geloofd? Laat hen dan een keer het tegendeel bewijzen. Maar wel op basis van evenveel transparantie en openheid, niet vanuit dogma’s of ideologie.

Laat ons consistent zijn. Een eenmalig impactrapport is makkelijk van tafel geveegd. Maar een consistent format, jaarlijks herhaald, met transparante meetmethoden en bronnen, daar heeft een cynicus een hele kluif aan.

Mythe 3: impact meten moet de hele organisatie omvatten

Vele organisaties uit het middenveld willen heel erg veel doen. Vanuit onze vaste wil om ingewikkelde maatschappelijke problemen op te lossen, weten we soms niet waar te beginnen en doen we vanalles tegelijk.

Bij impactmeting gebeurt vaak hetzelfde. We willen in 1 oefening de hele complexiteit van een organisatie vatten. We willen zeker niet dat een bepaald project uit de boot zou vallen. We willen zoveel mogelijk resultaten aanleveren in een poging om aan te tonen hoe relevant we wel zijn.

Da’s supermenselijk, maar ook verlammend. Impact meten wordt op die manier een hels proces, met eindeloos zoeken naar juiste formuleringen, enorme lijsten met indicatoren en moeilijke besluitvorming.

Daarom dus: stap voor stap. Zie het als een leerproces: begin bij 1 project en breidt op eigen tempo uit. Maar het belangrijkste: begin.

Beginnen is belangrijker dan perfect zijn


Denk je nu: pfoeh… waar begin ik aan?


Dat zou zonde zijn. Want ook jouw missie verdient het om zichtbaar, meetbaar en financierbaar te zijn.
Zoals bij alles begint verandering met een eerste stap. Op de website ontdek je hoe je die stap concreet zet.
En heb je nood aan een kritische blik of strategische begeleiding? Stuur me gewoon een mail,  of bel me even als je dat liever doet. ik denk graag met je mee.